Poëzie - 4 - De zwevende treden
De zwevende treden
Terwijl de Nornen de eindigheid bezongen,
veranderde in de verte de aard der dingen.
Er verschenen minder bloedende stenen,
op de plekken van dolende begeerte.
Op de zwevende treden van het wankele bergpad,
verstomt de boodschapper in het aanschijn van het jonge goud,
dat samengebonden het blatende schaap bekoort.
Geknevelde onschuld op de enige weg omhoog.
Een verhit bloemenkind orakelde:
“Barden en troebadoers zullen de zomer bezingen.”
Mythen worden geboren, in het gouden koren,
schrijend, tussen de dijen van de muze.
Mark Robson - Juni 2002